Grafelijk park Bad Driburg


De Tuin

De basis voor het Driburger Bad werd gelegd door de Paderbornse vorstbisschop (1661 –1683) Ferdinand von Fürstenberg, toen deze in 1665 de vandaag de dag als 'Rabe-Quelle' bekende koolzuurhoudende minerale bron van Driburg liet vastleggen en er in 1669 een dubbelrijge lindelaan liet aanleggen. Later kwam daar nog een laan in zuidelijke richting bij. Deze beide lanen bepalen nog altijd de basisstructuur van het totale kuuroord. Voor de verdere expansie zorgde vorstbisschop Clemens August toen hij in 1743 over de bron een achthoekig paviljoen, evenals een pakstation voor het verzenden van het water liet bouwen.

Brunnenallee mit den drei Quellbecken. Kupferstich aus der Monumenta Paderbornensia. 1672 (), Gebäude und Park Bad Driburg. Luftbild. Neuling. 1999, Weiße Bank vor der Trinkhalle () Pohl/Grüßen. 2003

Maar het was pas door Caspar Heinrich von Sierstorpff (1750 – 1842) dat Bad Driburg populair werd als kuuroord voor de hogere verlichte klasse. In de zestig jaar dat hij hier actief was, werden er 16 gebouwen in de vakwerkstijl gebouwd of verbouwd.

Het was zijn ambitie dat het park van Bad Driburg een oord "van landelijk plezier" zou maken. Ten westen van de hoofdbron realiseerde hij een eerste kuurpark in landschapsstijl waar de gasten konden wandelen en uitrusten om zo de geneeskrachtige werking van het mineraalwater te ondersteunen. Het landschap werd in het geheel betrokken, wijdse panorama's over het omliggende Egge-gebergte heffen de grenzen tussen de door de mens ingerichte delen en het landschap op.

Op de Rosenberg, waarop toen nog geen bos groeide, werden, om de natuur te verfraaien, bochtige paden aangelegd en diverse bomen en struiken aangeplant. Ook na Caspar von Sierstorpff werden er voortdurend uitbreidingen en veranderingen doorgevoerd.

Südlicher Parkbereich im Frühling () LWL/WALB/Gerbaulet. 2004, Teich mit Gartentempel () Bufe. 1999, Rosengarten mit Rosenpavillon () Neuling. 2001

Tegen het einde van de negentiende eeuw wordt het park in zuidelijke richting enorm uitgebreid. Dit gedeelte imponeert nog altijd met wijdse bochtige paden, gooed verzorgde glasvlaktes en imposante solitaire bomen. Het hoogtepunt is het "Hölderlin-bosje" met daar tegenover de vijver met het "Diotima"-eiland. Deze herinneren aan Friedrich Hölderlin en zijn muze, de Frankfurter bankiersvrouw Susette Gontard, die hij in zijn literaire uitingen als Diotima vereerde. Zij waren beiden in 1796 in Bad Driburg te gast.

Tussen de beide wereldoorlogen in werd er een rozentuin aangelegd en werd het oudste deel van het park bij de hoofdbron omgevormd tot een complex met geometrische en landschappelijke elementen. Na de Tweede Wereldoorlog werd het kuurpark ten zuidwesten van de grote lindenlaag nog met circa een derde extra vergroot.

De kleine tuintempel bij de vijver en de bruggetjes in de tuin die op historische voorbeelden zijn gebaseerd, werden in opdracht van Ramona, gravin van Oeynhausen-Sierstorpff (1928 –2003), gebouwd.

Beete mit blauen Hyazinthen und Stiefmütterchen vor der Trinkhalle () LWL/WALB/Gerbaulet. 2004, Brunnen der englischen Bildhauerin Angela Conner () Pohl/Grüßen. 2003, Beet mit gelben Tulpen () LWL/WALB/Gerbaulet. 2004

Het voorlopige eindpunt wordt ten noorden van de Trinkhalle gevormd door een formele heggentuin van haagbeuk en een fontein van de Engelse beeldhouwer Angela Conner waar men even stil kan wegdromen. Dit "kunstobject" beweegt zuiver door de kracht van het water in verschillende richtingen.

Een bijzonder kenmerk zijn de zeer zorgvuldig aangelegde bloemperken. Het eerste hoogtepunt van het jaar is als de tulpen bloeien, waarna zomerbloeiers het overnemen en het hele jaar door voor een zee van kleurrijke bloemen zorgen.

Rauminszenierungen '500 Weisse Lilien' von Gilles Clément () Tenwiggenhorn 2001, Rauminszenierungen '500 Weisse Lilien' von Gilles Clément () Tenwiggenhorn 2001, Rauminszenierungen '500 Weisse Lilien' von Gilles Clément () Tenwiggenhorn 2001

Driburg is een plek van kunstzinnige interpretatie door tuincultuur en architectuur, door literaire beschrijvingen van de vele beroemde gasten. „We woonden onder heerlijke bergen en bossen en maakten onder elkaar deel uit van de beste kring“, schreef Friedrich Hölderlin in 1796 vanuit Driburg aan zijn broer.

In Driburg bracht Hölderlin een aantal gelukkige weken door met Susette Gontard, de "Diotima" van zijn dichtkunst. Zijn leven was een aaneenschakeling van inpakken, afscheid nemen, aankomen, alleen maar om weer opnieuw weg te gaan: onderweg zijn als uiting van een denkwijze en een manier van leven, onderweg naar meer vrijheid, een mooier menszijn, de grote natuur. Een hommage aan Hölderlin, zijn lyrische klaagzangen en aanklachten, maar ook aan de kracht van zijn poëtische taalgebruik en het hoge muzikale karakter ervan, wordt geboden met de lezingen en concerten die hier worden gegeven.

Driburg en de omgeving ervan – met het Teutoburger Wald, de Knochenberg, de minerale bronnen, molens en glasblazerijen – bracht Hölderlin tot dichten. Als de lezer hier komt: in de lanen, de bossen, de dalen van deze omgeving, kan het hem zo vergaan zoals het ook Hölderlin verging: de plekken herinneren hem aan de literatuur over deze plekken. Als wij in de gedichten van Hölderlin beelden van het landschap rond Driburg terugvinden, verandert ook het beeld van dit landschap voor ons en in het beste geval herinneren we ons als we daar arriveren de literatuur die erover geschreven is, een vers, een strofe, een regel. Dan wordt een stukje kunst en literatuur onderdeel van het dagelijkse leven.