Begijnhof en Minnewaterpark


De Tuin

Het begijnhof is wellicht een van de meest bezochte toeristische trekpleisters in de Brugse binnenstad. Het ontstond tijdens het tweede kwart van de 13e eeuw toen een groep religieuze vrouwen zich ten zuiden van de stad vestigden.

Begijnhof en Minnewater

De begijnenbeweging nam vanaf de 13e eeuw een hoge vlucht in Vlaanderen. Vrome vrouwen vormden een gemeenschap die in zijn eigen behoeften voorzag. Ze legden een gelofte van zuiverheid en gehoorzaamheid af en moesten zich aan een intern reglement houden. Het grote verschil met de kloosters was dat de geloftes van de begijnen niet eeuwig waren en dat ze geen gelofte van armoede aflegden. Een grootjuffrouw zag toe op de naleving van het reglement.

Begijnhof en Minnewater

Het Brugse begijnhof werd in 1299 rechtstreeks onder het koninklijk gezag geplaatst en voerde van dan af aan de titel ‘Prinselijk Begijnhof’. Het aantal begijnen nam in de loop van de 15e en de 16e eeuw sterk toe. Het Brugse begijnhof kende een grote bloei in 17e en de 18e eeuw wat zich vertaalde in een grote bouwactiviteit: de 13e-eeuwse kerk werd heringericht, de grootjuffrouw kreeg een nieuwe woning met privékapel en er werd een fraaie toegangspoort gebouwd. Na de Franse Revolutie was de bloeiperiode definitief voorbij en liep het begijnhof langzaam leeg. De Brugse priester Rodolphe Hoornaert zocht vanaf 1922 naar een nieuwe toekomst voor het unieke complex en trok een aantal kloosterzusters van de benedictijnenorde aan. Vandaag dragen deze kloosterlingen nog steeds mee zorg voor het begijnhof. Het begijnhof werd in 1998, samen met 12 andere Vlaamse begijnhoven, ingeschreven op de lijst van het Werelderfgoed.

Begijnhof en Minnewater

De huizen, met hun witgeschilderde bakstenen gevels, liggen gegroepeerd rond een groot grasveld. De meer dan zestig bomen, krom gebogen door de wind, zorgen voor een zachte filtering van het zonlicht, wat bijdraagt tot het intieme karakter van het begijnhof. Oorspronkelijk stonden er olmen, maar deze werden in 1926 na het uitbreken van de olmenziekte door Canadapopulieren vervangen. In 1980 werd gestart met een verjonging van het bomenbestand om het unieke uitzicht van het begijnhof te kunnen vrijwaren. In de lente, wanneer er honderden narcissen bloeien, kleurt het grastapijt geel.

Net buiten het begijnhof ligt het Minnewater, de plaats waar enkele belangrijke beken de stad binnenstromen. Vanaf de 12e eeuw werden er enkele sluizen gebouwd, waardoor een soort meer ontstond. Een volkslegende verhaalt dat hier een watergeest of ‘min’ ronddoolde. De oever van het Minnewater werd eeuwen lang gebruikt als bleekweide en vanaf de late 18e eeuw was er zelfs een faiencefabriek gevestigd.

Begijnhof en Minnewater

Aan het begin van de 20e eeuw bouwde Ludovic Fraeys er een neogotisch kasteeltje, omgeven door een strak aangelegde tuin. Het kasteeltje werd in 1969 gesloopt. De stad Brugge kocht het anderhalve hectaren grote terrein op en richtte het in als openbaar park. De bestaande paden werden zo veel als mogelijk behouden en afgezoomd met leilinden. De grasperken kregen kleurige accenten in de vorm van bloemrijke borders, beplant met begonia’s, eenjarigen en vaste planten. Het Minnewaterpark heeft ook een rijk bomenbestand met onder andere Trompetbomen, Amberbomen, Witte Paardekastanje en Ruwe Berken. In juli zit er jaarlijks muziek in het Minnewaterpark, wanneer Feest in ’t Park en het Cactusfestival er plaats vinden.

Begijnhof en Minnewater

In de buurt van het begijnhof en het Minnewater bevinden zich nog twee godshuizen waarvan een bezoek aan de eenvoudige binnentuin zeker een aanrader is. Vanaf de 14e eeuw stichtten verschillende welstellende burgers kleine instellingen voor bejaarden, zogenaamde godshuizen. De bakstenen woningen werden opgetrokken rond een binnentuin met een kapel en een pomp. Deze groene binnenplaatsen waren echte nutstuinen. Het grasveld werd gebruikt om de was te drogen en te bleken. Als er al bomen werden geplant, waren het meestal fruitbomen. In de tuin werden ook vaak bloemen gekweekt om de kapel te versieren. Vandaag zijn de meeste godshuizen nog steeds ingericht als bejaardenwoningen.

De Godshuizen de Muelenaere en Sint-Jozef in de Nieuwe Gentweg, beiden uit de 17e eeuw, vormen nu samen een van de grootste en mooiste godshuiscomplexen in de Brugse binnenstad. Op oude foto’s is duidelijk te zien hoe de ruime binnentuin echt als een nutstuin werd gebruikt. De wasdraden waaraan de was hangt te drogen spreken boekdelen. Vandaag is de tuin nog steeds in perkjes opgedeeld, nu beplant met sedum, hosta en geranium. De indeling in perken werd door het aanplanten van heggen nog benadrukt.

Het 18e-eeuwse Godshuis De Vos in de Noordstraat is met zijn zes huisjes heel wat kleinschaliger, maar daarom niet minder charmant. De tuin was vroeger beperkt tot een grasveld waarop de was gebleekt werd. Bij de restauratie van het complex in 1994-1995 werd ook de tuin heraangelegd. Vier met buxus omzoomde perkjes werden met kleurrijke bloemen beplant.