Dalheim Monastery


De Tuin

Dalheim, dat in een prachtig landschap ligt, is een van de weinige voormalige kloosters in Noord-Duitsland waar bezoekers een goede indruk kunnen krijgen van hoe het klooster er in de barokke periode uitzag. Het complex wordt omgeven door een bijna één meter brede en 1030 meter lange muur.

Als Augustijner nonnenklooster werd het in 1264 voor het eerst vermeld, maar na overvallen en brandschattingen werd het in de veertiende eeuw opgegeven. Vanuit het buurklooster Böddeken kwamen er in 1429 nieuwe bewoners naar Dalheim, Augustijner monniken ditmaal. In 1803 werd het klooster opgeheven en kregen de kerk en het conventsgebouw een nieuwe bestemming als puur agrarische gebouwen. In 1979 koopt het Landschaftsverband Westfalen-Lippe het voormalige klooster om het tot Westfaals kloostermuseum uit te bouwen.

Äußere Klostermauer mit Sicht auf das Kloster () Pohl/Grüßen. 2004, Luftbild Dalheim und Umgebung () Neuling. 1999, Grundmauern Kapelle. Klostermarkt () Pohl/Grüßen 2003

De oudste gebouwen zijn de tussen 1460 en 1475 gebouwde laatgotische kloosterkerk en het conventsgebouw met vier vleugels en een kruisgang. In de late zeventiende en vooral in de achttiende eeuw beleeft Dalheim zijn grootste economische en culturele bloei. Onder abt Bartholdus Schonlau ontstaan tussen 1708 en 1730 in totaal 23 nieuwe gebouwen die zich kenmerken door hun afmetingen en hun solide constructie. Ze zijn bijna allemaal behouden gebleven. De drastische barokke omvorming maakt van het complex een van de pronkstukken van het Paderborner Land.

Van de vele tuinen van het klooster is nog maar weinig terug te zien. Een olieschilderij uit 1739 geeft echter een mooi beeld van de ideale toestand van het barokke geheel. Centrale elementen zijn hierin de abts- en conventstuinen. De langgerekte abtstuin ligt op een hoger gelegen terras. De aan beide zijden van een centraal pad aangelegde perken waren omzoomd met buxusheggen; de hoeken werden geaccentueerd met in vorm gesnoeide boompjes. Voor vorst gevoelige kuipplanten overwinterden in de nog altijd bestaande orangerie aan de noordkant van de tuin. In de zomer deed dit gebouw dienst als tuinhuis en concertzaal. Een verder accent in de abtstuin is het in de kloostermuur geïntegreerde kleine tuinhuis.

Vedoute. Alter Klosterplan von 1739. () Westfälisches Museum für Kunst und Kulturgeschichte, Münster, Ausgrabung Konventsgarten. Alter Rundbrunnen () LWL/WALB/Gerbaulet. 2003, Ausgrabung Konventsgarten. Alte Stützmauer () Pohl/Grüßen. 2003

Het zuidelijke gedeelte van het ommuurde klooster werd ingenomen door de aan de monniken en hun gasten voorbehouden conventstuin. Een aantal terraslagen werd hier door een centrale lengteas en paden die daarvan aftakten met taluds en trappen met elkaar verbonden. De ronde fontein in het middelste gedeelte en de vierkant fontein onderin waren bijzondere blikvangers. Optisch rondden twee 'waterspiegels' waarin de gebouwen en het park zich moesten weerspiegelen de conventstuin naar het oosten af. Archeologische opgravingen hebben aangetoond dat er onder het oppervlak vele overblijfselen van de oude steunmuren, trappen en fonteinen behouden zijn gebleven. De zorgvuldige restauratie van de conventstuin naar historisch voorbeeld moet de bezoekers een nog betere indruk geven van de tuingeschiedenis van het klooster.

Het complex telde nog meer tuinen, waaronder een kruidentuin nabij het hospitaal van het klooster. De in 2002 aangelegde tuin met geneeskrachtige kruiden weerspiegelt het niveau van de medische kennis in kloosters in de barokke tijd. De hoevetuin achter de stallen en schuren in het noorden leverde groente en fruit; in 1886 stonden hier 80 appel-, peren- en pruimenbomen. Het eikenveld ('Eichkamp') voor de kloostermuur bestond oorspronkelijk uit op regelmatige afstanden, in rijen geplante eiken die voer leverden voor de varkens en als houtreservoir en bescherming tegen de weersomstandigheden fungeerden. Een groot deel van de bomen die hier nu staan, stamt nog uit de kloostertijd.

Entwurf Konventsgarten. () Wette. 2004, Heilkräutergarten mit Informationstafel () LWL/WALB/Gerbaulet. 2003, Äußere Klostermauer mit Eichhof () Pohl/Grüßen. 2004

Kloosters zijn eeuwenlang van grote invloed geweest op de ontwikkeling van Europa. Naast hun enorme betekenis als centra van de religie en overbrengers van het christelijke geloof zijn het altijd plekken van onderwijs, onderzoek, kunst en economische ontwikkeling geweest.

Met zijn gotische kruisgangen, florerende tuinen en nieuwe expositieruimtes nodigt het LWL-Landesmuseum für Klosterkultur in Dalheim bezoekers uit de fascinerende rijkdom van de kloostercultuur te ontdekken. En daartoe behoren niet alleen ora et labora, maar ook muziek en theater, eten en drinken, belangwekkende kunstschatten, bouw-, boek- en tuinkunst.